skip to Main Content
mailMail bel(0345) 58 07 70        Specialisten in postmortale zorg & mortuariabeheer

Een artikel over CMO obductie assistent Rob Ramakers in de Limburger

Er zijn van die plekken in de provincie waar je geen weet van hebt of waar je als gewone burger niet (snel) binnenkomt? Deel 3: bij een onverklaarbare dood worden overledenen opengesneden in de obductiekamer van het Roermondse ziekenhuis.

Daar lig je dan op de kille, metalen tafel waar je nooit hoopt te eindigen. We zijn in het mortuarium van het Roermondse Laurentiusziekenhuis. De uitsnijkamer is het werkterrein van obductie-assistent Rob Ramakers. Hij heeft ons net rondgeleid door de betegelde koelcellen van 4 graden Celsius, waar gemiddeld twee keer per dag een overleden patiënt wordt ‘geparkeerd’. Als justitie het nodig vindt, of als de familie van ver moet komen, dan balsemt Rob de dode lichamen. Is er een vermoeden van een niet-natuurlijke dood – dus mogelijk een misdrijf of zelfmoord – dan gaat het lijk naar een forensische patholoog­anatoom bij het NFI in Den Haag. Gemiddeld één keer per week wordt in Roermond zelf sectie verricht op een stoffelijk overschot. Dan werkt Ramakers samen met patholoog Bjorn Lohman: “We snijden patiënten alleen nog maar open als we te maken hebben met een onverklaarbare, acute dood. Vroeger gebeurde dat drie, vier keer per dag, nu nog maar zelden. Dat komt omdat geavanceerde röntgenapparatuur, MRI- en CT-scans ons veel werk uit handen hebben genomen op zoek naar een doodsoorzaak. Ik voel me dan ook niet een klassieke patholoog-anatoom, zoals de destijds bekende dokter Zeldenrust. Dat forensische werk voor justitie doet nog maar een tiental pathologen in Nederland. Ik ben vooral klinisch patholoog.”

Duizend plakjes

Negentig procent van z’n werktijd ziet Lohman alleen flinterdunne stukjes weefsel. Niet van dode maar juist van patiënten die nog leven. “Bij een vermoeden van kanker wordt via een punctie oftewel biopsie zo’n drie millimeter verdacht weefsel uit een orgaan gehaald. Uit die drie millimeter kunnen we wel duizend plakjes van zo’n 6 mu (mineron) snijden. Die gaan onder de microscoop. We doen voornamelijk laboratoriumonderzoek voor oncologen, chirurgen, dermatologen en radiologen. Vaak wel zestig tot honderd patiënten per dag uit de regio Midden-Limburg. In meer dan de helft van de gevallen stellen we afwijkingen vast, meestal kanker. Zelf zie ik alleen maar administratieve scancodes, namen van patiënten zie ik nooit. Daar ben ik niet rouwig om, die slechtnieuwsgesprekken laat ik graag aan mijn collega’s over”.

Toch heeft het publiek bij het woord pathologie nog altijd het beeld van artsen die in lijken zitten te snijden. En als zo’n arts daar publiekelijk over vertelt dan reageren toehoorders steevast met woorden als: ‘bah, vies, akelig, hoe kun je zoiets doen’. Vandaar dat Lohman en obductie assistent Rob Ramakers op feestjes zelden uitweiden over hun werk. Ramakers: “De meeste mensen vinden lijken luguber, maar tegelijkertijd blijft een obductie – gevoed door tv-series als CSI en Bones – ze ook fascineren. Lohman: “Natuurlijk ben je nerveus als je als geneeskundestudent voor het eerst een dood lichaam moet opensnijden, meestal van iemand die zich ter beschikking van de wetenschap heeft gesteld. Die overledene hoeft niet eens ziek te zijn geweest. Je moet namelijk ook leren hoe gezonde organen er uitzien. Je gaat vervolgens professioneel op zoek naar een doodsoorzaak. Belangrijk voor collega-artsen maar ook voor nabestaanden. De familie wil vaak weten of vader of moeder is gestorven aan iets dat erfelijk is.”

Obducties hebben voor Lohman niets akeligs meer. Maar alle expertise en routine ten spijt, blijven confrontaties met jonge mensen en zeker kinderen ook voor de meest ervaren pathologen erg gevoelig. Lohman: “lk onderzocht ooit een man met van die plaktatoeages op z’n arm die je bij sommige kauwgom krijgt. Dan besef je dat zo iemand waarschijnlijk vader is van kleine kinderen net zoals ik zelf. Dan val je toch even stil.” Waar je als patholoog ook niet om te springen staat, is een opgezwollen lichaam dat lang in het water heeft gelegen. De geur van een water lijk schijnt ondragelijk te zijn. Een inmiddels gepensioneerde patholoog in het Roermondse ziekenhuis gebruikte soms Senseo koffiepads in zijn monddoekje, maar ook dat is volgens Lohman maar een tijdelijke remedie.

 

Y·snede

Als er dan toch gesneden moet worden dan maakt obductie-assistent Ramakers een Y-snede vanaf de sleutelbenen tot onder de navel. Hij haalt alle organen uit het lichaam, legt ze een voor een klaar voor onderzoek door Lohman. Die gaat op zoek naar kleurafwijkingen, littekens, doorbloeding en gewichten. Hij weet dat een normale lever zo’n 1500 gram weegt, een hart 400 gram. Nadien worden alle organen weer teruggeplaatst en de Y-snede netjes met pleisters gedicht. Behalve na een schedellichting, als er verdenkingen van een hersenbloeding of -infarct is. De hersenen (vrouwen circa 1000 gram, mannen ll50 gram) zijn zo slap dat ze eerst met vloeistoffen bewerkt moeten worden voordat aanvullend onderzoek kan plaatsvinden. Na de sectie kunnen hersenen niet meer teruggeplaatst worden. Zij worden vervolgens apart gecremeerd. Eén ding heeft het pathologenteam nog nooit gevonden bij een obductie: een ziel. Lohman: ”Als je dit werk doet besef je hoe dun de scheidslijn tussen leven en dood is. Maar als het eenmaal zover is zijn wij simpelweg het eindstation.”